Dit jaar heeft de oogartsenpoli iets anders dan anders bedacht. Er komt een schrijven met de boodschap dat men omwille van de hoge werkdruk bij de oogartsen gaat starten met een virtuele kliniek. Het is al anderhalf decennium routine voor me: jaarlijks onderzoek teneinde te controleren of een bepaald medicijn dat ik tweemaal daags inneem, schade veroorzaakt aan de ogen.
Virtuele kliniek
Wat in vredesnaam is een virtuele kliniek? Een niet fysiek bestaande, onechte, denkbeeldige kliniek? Er dringt zich een beeld aan mij op van dokters die in de cloud rondzweven en via je laptopcamera je ogen gaan bestuderen. Of krijg ik straks een virtual realitybril op waarmee ik een virtuele oogartsenpoli kan binnen stappen? Lijkt me wel spannend!
In de uitleg lees ik dat er wel werkelijk metingen en onderzoek worden gedaan, maar dat je aan het eind van de rit geen dokter te spreken krijgt. Die stuurt je een paar weken later een brief met bevindingen. Een andere verandering is dat ze de poli-afspraken beter willen spreiden over de dag door 's avonds de kliniek (virtueel?) open te stellen. Op twee vragen willen ze met het oog op de virtuele kliniek antwoord: wil je 's avonds komen?, en: heb je momenteel oogklachten?
Dat is gemakkelijk zat: op avond is veel te belastend (in de ochtend net zo goed trouwens), dus dat is geen optie voor me. De vraag over oogklachten is niet eens relevant. De oogarts heeft me al meermaals laten weten dat als de pillen inderdaad mijn ogen aantasten, hij/zij dat dan eerder opmerkt dan ik...
Ik stuur het briefje met reactie retour en krijg in ruil een oproep voor een bezoek aan de virtuele kliniek, eind mei. Maar is die afspraak echt of onecht, een gewone afspraak of een virtuele? Een bel- of videobelafspraak misschien? Keer op keer spel ik de uitnodigingsbrief. Tot aan de deur van de poli word ik verscheurd door twijfel of ik wel écht verwacht word.
Hangen en wurgen
De uitnoding stelt dat het onderzoek slechts tien minuten duurt. Dat is heel wat korter dan in de voorgaande jaren, toen ik in een uur tijds van onderzoek naar onderzoek hopte (vijf soorten in totaal), pupilverwijdende oogdruppels kreeg en aan het eind van de rit de dokter te spreken kreeg.
In plaats van tien minuten zijn we vandaag toch wel een halfuur onder de pannen. Oogdruppels krijg ik niet en het zichtveld-onderzoek - dat altijd al zonder pupilverwijdende druppels werd gedaan - wordt op raadselachtige gronden overgeslagen.
Bij het eerste onderzoek wordt de rolstoel achter een apparaat geplaatst dat een ieder die een opticiën frequenteert, voor zich ziet, letterlijk en figuurlijk.
Een hoop poeha en mooie woorden om te zeggen dat de dokter je nog belt of mailt over de uitslag omdat-ie nu geen tijd heeft.
Het past allemaal niet zo lekker, die tafel, het apparaat en de rolstoel. De persona operandi van de apparatuur vraagt of ik iets omhoog kan komen vanuit de stoel. Ik zou niet weten hoe, maar omdat ik de kwaadste niet ben, ga ik wel even verzitten. Het is haar kennelijk niet naar de zin want ze staat op en sleurt me met rolstoel en al opzij en herpositioneert me naar haar eigen inzicht. Mijn kin moet uiteindelijk op een steun rusten terwijl het voorhoofd tegen een andere steun moet leunen. Ik zit inderdaad wel wat diep, maar naast de kijkglaasjes in het meetinstrument bevinden zich twee handgrepen. Ik pak ze vast en trek mezelf een paar centimeter omhoog. Moet kunnen, even de kiezen op elkaar en rustig blijven hangen. Als ze instructies geeft, brom ik goedkeurend of afwijzend.
Na enkele metingen is het klaar met het turen naar het + -teken in mijn blikveld en laat ik me getormenteerd en zuchtend zakken. De verzuurde armspieren laat ik ontspannen naast me hangen om het bloed terug in mijn handen te laten stromen. Klaar is Kees, denk ik. Maar ik vergis me. Het ergste komt nog.
Beter, slechter of gelijk?
Opnieuw gebiedt ze me kin, voorhoofd en handen in positie te brengen. Ik verman me andermaal en gebruik alle spierkracht in armen en benen om een beetje recht door het meetapparaat heen te kunnen kijken. Ik verwacht weer naar zwevende plusjes, kruisjes of rondjes te moeten kijken, maar deze ronde moet ik gewoon ouderwets cijfers en letters oplezen.
Nogal moeilijk als al je energie gaat naar het vasthouden van je spierspanning, terwijl je klem zit in een kinnebakje en bovendien niet sterk in articuleren bent. Ik herinner me niet dat dit onderzoek voorgaande jaren ook werd gedaan. Ik voel me een Muppet, ik ben als Bert en Ernie. Mijn hele hoofd gaat mee de lucht in samen met mijn bovenkaak bij elke syllabe die uit mijn mond klinkt. Gevolg: de op te lezen cijfers en letters maken telkens een hupje en verdwijnen gedurende een fractie van een seconde uit beeld, waardoor ik opnieuw moet focussen op wat er staat.
Mij maak je niet wijs dat de meetmevrouw alle cijfers en letters die ik desondanks opnoem, goed verstaat. ALS klinkt niet anders dan HRF, DNV zou net zo goed BMW kunnen zijn en de zes en de zeev(en) klinken precies hetzelfde. Niettegenstaande dat ze het volgens mij totaal niet meekrijgt, gaat ze stug door en zet er na een tijdje bovendien voorzetglaasjes tussen met de geijkte vraag beter, slechter of gelijk?
Nu wordt het helemáál een uitdaging. Ik kan met die kaakklem onmogelijk woordjes uitspreken. Ik trek me terug van het apparaat en zeg getergd: "één vraag tegelijk, graag!" Man tolkt het nadrukkelijk door. "Eén vraag tegelijk," herhaalt ze. Om er direkt achteraan te zeggen: beter, slechter of gelijk? Ik doe mijn best, maar meer dan een gesmoord èèh voor 'slechter' krijg ik er niet uit. Wrevelig laat ik het apparaat weer los en bits: "één vraag tegelijk dus, alstublieft." Ze lijkt wel voorgeprogrammeerd. Beter, slechter of gelijk?
Ik zeg tegen Man dat hij de vrouw ja-/nee-vragen moet laten stellen en hij tolkt de boodschap weer door.: "vragen waarop ze met ja of nee kan antwoorden." "Aaah, zo ja, okee," antwoordt ze. En dan weer het bekende riedeltje. Beter, slechter of gelijk? "Ja, nee, nee," zeg ik recalcitrant. Kennelijk heeft ze er zelf ook genoeg van want ze zegt opeens tegen Man: "ik zal noteren dat ze niet geschikt is voor de virtuele kliniek." Oh?
Analfabeet
Wraakzuchtig en om haar te leren brom ik bij de volgende beter, slechter of gelijk iets dat klinkt als 'ja'. Maar 'ja' waarop? Beter? Slechter? Gelijk? Ik mag dan ongeschikt zijn, ze gaat desondanks onverdroten voort met haar letter- en cijferplaatjes en glaasjes. Beter, slechter of gelijk, ik geef het op. Bij de volgende vraag houd ik de kaken opelkaar. Ze zoekt het maar uit, ik doe niet meer mee.
Nu het onderzoek vastloopt, ziet Man zijn kans schoon even belangstellend wat anders te vragen; hij informeert hoe ze zo'n zichtonderzoek doen met analfabeten; met plaatjes misschien? "Oh, is ze analfabeet!" roept de onderzoekster blij en opgelucht, "dan doe ik het toch met plaatjes!". Gelukkig helpt Man haar direct uit de droom... Maar goh, analfabeet, die had ik nog niet op mijn lijstje!...
Naderhand vraag ik Man hoezo die vrouw me eigenlijk niet geschikt zou vinden voor de virtuele kliniek. Onderkoeld zegt hij: "ik denk omdat ze er zelf niet geschikt voor is."